Home Contact
Gastenboek lezen
Gastenboek schrijven
Bush Ways Botswana
Puzzels
Links
GOING AFRICA SAFARIS REIZEN
English version

 

Out to Africa   
is   

(klik op logo)


Mee op reis in 2011?
lees hier verder....


 Reisverslagen:

 Foto's:

 Video's:

 Landen info:

 Gamepark info:

 Dieren info:

 Beste reistijd:

 

 

Zambia

Geschiedenis

De eerste menselijke bewoning in het huidige Zambia dateert van ca. 200.000 jaar geleden. Gereedschap en bewerkte vuurstenen getuigen daarvan. Een belangrijke archeologische vondst werd in 1921 gedaan, de zogenaamde Broken Hill Man. De schedel die gevonden werd, schatte men op 125.000-300.000 jaar oud, en men beschouwt deze Broken Hill Man als een verre verwant van de Europese Neanderthaler.
Ca. 17.000 jaar geleden trokken bushmen of Twa door de Zambiaanse savannes. Aanvankelijk waren het jagers en verzamelaars, maar later vestigden zich landbouwers in dit gebied. Van dit volk zijn veel rotstekeningen teruggevonden. De tegenwoordige Twa leven nog in kleine groepjes als vissers en verzamelaars in de moerasgebieden van de Kafue en in de buurt van het Bangweulu-meer.

Rond het begin van onze jaartelling kwamen er vanuit het noorden Bantoe-volken naar Zambia. In deze tijd begon men zich ook op grote schaal op een vaste plaats te vestigen. Deze volken brachten nieuwe landbouw- en veeteelttechnieken mee, maar tot in de 19e eeuw leefden de Bantoes (o.a. de Kalomo-stam) en de Twa redelijk gescheiden van elkaar. Vanaf de vijftiende namen de jagers flink in aantal af, omdat er steeds meer landbouwgrond nodig was voor nieuwe immigranten.
De Bantoes hadden gereedschap van ijzer, gebruikten koper en waren bovendien verdienstelijke pottenbakkers. Verder is duidelijk geworden dat ze handel dreven met volken aan de oostkust van Afrika, o.a. in Tanzania.

Het Lunda-Luba rijk
Rond het jaar 1000 trokken nieuwe Bantoe-sprekende volken Zambia binnen en tussen 1100 en 1200 volgden voorouders van de Tonga-stam, die vanuit het Grote Merengebied in Centraal-Afrika naar het zuiden van Zambia trokken, waar ze nu nog steeds wonen.
In de 16e eeuw ontwikkelde zich vanuit de graslanden in Katanga, in het zuiden van het Congo-bekken, het voor deze regio belangrijke Luba-koninkrijk. Nieuw aan dit volk was dat ze een sterk centraal gezag hadden, en zich daardoor vrij gemakkelijk konden uitbreiden ten koste van andere, vaak kleinere volken. Een centraal gezag zorgt ook vaak voor interne spanningen, en dat was in het Luba-rijk niet anders. Als gevolg van dit alles trokken veel stammen weg en stichtten ergens anders nieuwe koninkrijken, vanaf nu ook vaak met een sterk centraal gezag.
Het grootste van deze nieuwe koninkrijken werd het Lunda-rijk, naar wie alle andere koninkrijkjes ook genoemd werden. Deze Lunda-koninkrijkjes kwamen voor in West-, Midden-, en Noord-Zambia en in Oost-Angola. Aan het hoofd van deze rijkjes stond een ‘kazembe’, die een soort gouverneurs aanstelden en het lokaal bestuur overliet aan de vele dorpshoofden. In die tijd was er ook al een uitgebreide ruilhandel (o.a. ivoor) met Europa (o.a. Portugezen) ontstaan.

Belangrijke groepen die uit de Lunda-rijken voortkwamen, waren de Lozi en de Bemba. Zowel de Bemba als de Lozi kwamen vanuit het noorden en het westen (Katanga) het huidige Zambia binnen. De Bemba vestigden zich in de Northern Province en in Luapula. Het waren landbouwers, maar toen dat niet genoeg opleverde werden ze rijk door vanaf de achttiende eeuw met veediefstallen, slavenhandel en veroveringstochten de kost te verdienen. Onder opeenvolgende koningen of ‘chitumuku’s’ werd hun woongebied steeds groter.
De Lozi kwamen eveneens vanuit Katanga naar Zambia. Zij gingen wonen in het overstromingsgebied van de Zambezi-rivier in de Western Province. Door de vele overstromingen ontstond hier een vruchtbaar landbouwgebied dat in die tijd zorgde voor een welvarend Lozi-rijk. Ook de Lozi kenden een strak geleide staatsvorm met een koning of ‘litunga’ aan het hoofd en een uitgebreid netwerk van stamhoofden, die ervoor zorgden dat alles wat met de productie van landbouwproducten en veeteelt te maken had, in goede banen werd geleid.

Door de Zoeloe-oorlogen in zuidelijk Afrika, vluchtten vele mensen van daaruit naar het noorden. Bedreigend waren vooral de Ngoni, die Oost-Zambia binnentrokken, en de Kololo, die het land van de Lozi binnendrongen.
Eind negentiende eeuw waren de Europeanen zover dat ze op grote schaal de mysterieuze binnenlanden van Afrika binnendrongen. In zuidelijk Afrika troffen ze elkaar bestrijdende stammen aan die erop uit waren om zoveel mogelijk land van elkaar af te pakken. In het huidige Zambia bestreden de Bemba en de Ngoni elkaar in het noorden en oosten van het land. In het westen vochten de Kololo en de Lozi tegen elkaar en de Tonga werden in het zuiden aangevallen door de Ndebele.

De eerste Europeanen
De eerste Europeanen die in contact kwamen met de Afrikanen in het binnenland waren de Portugezen. Het waren goudzoekers en ze probeerden ook de kolonies aan de oost- en westkust met elkaar te verbinden.
De Bemba werden vanaf ca. 1840 ingezet als slavenhandelaren, die samen met Arabische en Portugese handelaren slaventochten hielden. Deze slaven gingen naar de plantages in de Portugese koloniën en naar Arabische sultanaten. Grote delen van Zambia hadden onder deze prakrijken te lijden, want samenlevingen werden totaal ontwricht.
Halverwege de jaren vijftig van de achttiende eeuw gingen de Britten in onder andere Zambia op zoek naar grondstoffen voor hun industrie. Bekende namen uit deze tijd waren de latere staatsman Cecil John Rhodes en de ontdekkingsreiziger David Livingstone. Livingstone hield zich lange tijd op in de Lozi- en Bemba-gebieden tussen Victoria Falls en het Tanganyika-meer. Hij wilde de bevolking tevens kerstenen en als verklaard tegenstander van de slavernij hun levensomstandigheden verbeteren.
Rhodes was een totaal andere figuur, met andere, vooral economische belangen. Hij was vooral geïnteresseerd in de vele grondstoffen die verborgen zaten in de Afrikaanse bodem en stond volledig achter het streven van de Britten om het gehele Afrikaanse continent in handen te krijgen. Om dit doel te bereiken richtte hij in 1889 de British South Africa Company (BSAC) op. Hij mocht van de Britse koningin Victoria ook onderhandelingen voeren over het bestuur van grote delen van Afrika. Dit lukte hem inderdaad door bedreigde volkeren bescherming te bieden in ruil voor mijnbouwconcessies. Alleen de Vrijstaat Congo werd op dezelfde manier door de Belgen ‘ingepikt’. Later werd de geldigheid van de destijds gesloten overeenkomsten zelfs naar Engels recht in twijfel getrokken; sinds 1973 is de koperwinning geheel in Zambiaanse handen.
In 1895 kreeg het gehele door de BSAC beheerste gebied de naam Rhodesië. Tot 1911 waren Noordwest-Rhodesië en Noordoost-Rhodesië bestuurlijk van elkaar gescheiden. In 1923 kreeg Zuid-Rhodesië (het huidige Zimbabwe) een vorm van zelfbestuur binnen het Britse Rijk, maar Noord-Rhodesië werd in 1924 rechtstreeks onder het ministerie van Koloniën in Londen geplaatst. De koloniale ambtenaren bestuurden het land op basis van de zogenaamde ‘indirect rule’, dat wil zeggen dat de stamhoofden de macht leken te hebben, maar de koloniale ambtenaren het feitelijk gezag voerden en de stamhoofden werden ook door hen gecontroleerd.

Noord-Rhodesië wordt een Britse kolonie
Tot 1 april 1924 behield de BSAC de formele zeggenschap over de beschermde gebieden. Vanaf die datum werd Noord-Rhodesië een Britse kolonie met een door de Britse regering aangewezen gouverneur, die vanaf 1935 zijn standplaats had in de nieuwe hoofdstad Lusaka. De eerste Wetgevende Raad bestond aanvankelijk volledig uit blanken, pas in 1938 werden Afrikanen toegelaten.
Tot die tijd hadden de lokale leiders en ‘chiefs’ alleen nog wat te vertellen over hun eigen mensen, maar verder bepaalden de Britten alles wat er in het land gebeurde. Zo werd er in 1900 een zogenaamde ‘native tax’ ingevoerd, waarbij er voor de arme bevolking niets anders opzat dan voor de blanken te gaan werken in de mijnen en op de plantages, om zo aan het benodigde geld te komen. Deze bedrijven lagen vooral in Congo, Zuid-Rhodesië (later Zimbabwe) en Zuid-Afrika.
Noord-Rhodesië diende begin 20e eeuw als arbeidsreservoir, voedselproducent en doorvoerland voor mineralen vanuit Katanga, een gebied tussen Zambia en de Vrijstaat Congo van de Belgen. Tot 1928 bestond alleen de mogelijkheid via een spoorlijn door Noord- en Zuid-Rhodesië ertsen van Katanga naar de havens af te voeren. Langs deze spoorlijn produceerden Europese boeren hun producten. Dit alles kwam de zwarte bevolking niet ten goede en toen de Britse regering het bestuur van de BSAC vernam, was Noord-Rhodesië een van de armste kolonies van het Britse rijk. Dit beeld veranderde aanzienlijk vanaf 1928, toen er een begin gemaakt werd met de kopermijnbouw (Copperbelt) in Noord-Rhodesië. Vooral Bemba-mannen gingen werken in de mijnen en andere bevolkingsgroepen wisten bij de mijnen hun producten te slijten.
Ook het aantal blanken nam zienderogen toe, zonder te kunnen spreken van een zogenaamde ‘settler-economie’, waarvan wel sprake was in Zuid-Afrika en Zimbabwe. Opvallend voor Zambia was wel de grote mate van verstedelijking. Discriminatie en een vorm van apartheid waren ook typisch voor de verhouding tussen de Britten en de Afrikanen, ook al waren er tot begin jaren vijftig meer dan vijf keer zoveel Afrikanen dan blanken. Sommige restaurants waren verboden terrein en de beste banen waren voor blanke kolonisten.
De Britten zagen de ongelijke situatie wel in en wilden een federatie (Noord-, en Zuid-Rhodesië en Nyasaland) met intern zelfbestuur, maar wel volledig overheerst door de blanken. Afrikaanse politici, waaronder Harry Nkumbula, waren fel tegen dit idee. Hij werd tijdens een studie in Londen nog meer geïnspireerd door Kwame Nkrumah, de latere president van Ghana. Toen Nkumbula in 1950 terugkeerde uit Londen richtte hij het African National Congress (ANC) op waarvan de Zambiaan Kenneth Kaunda de secretaris-generaal werd. In april 1953 schreven ze een petitie aan koningin Elizabeth II van Groot-Brittannië om de federatieplannen van de kolonisten te stoppen. Dit was echter tevergeefs en op 23 oktober 1953 ging de Central African Federation (Noord- en Zuid-Rhodesië en Malawi van start onder leiding van premier Lord Malvern.
Onder het bewind van de Malvern kreeg de nieuwe staat meteen trekjes van een apartheidsstaat. Zo was er geen stemrecht voor de Afrikanen en er vond op grote schaal uitbuiting plaats door het betalen van zeer lage lonen in de mijnbouw en in de industrie. De inkomsten uit de koperwinning in Noord-Rhodesië (Zambia) kwamen niet ten goede aan de ontwikkeling van de inheemse bevolking, maar aan de blanke kolonisten in Zuid-Rhodesië. Zuid-Rhodesië profiteerde dus veruit het meest van deze situatie en de twee andere deelstaten bungelden er economisch maar een beetje bij. Het verzet hiertegen nam onvermijdelijk toe en resulteerde in 1958 in een scheuring binnen het ANC.
De partij die zich afsplitste noemde zich Zambia African National Congress (ZANC) en stond onder leiding van de radicalere Kenneth Kaunda. In 1959 werd de partij alweer verboden en Kaunda werd met een aantal medestanders gevangengezet. Op 9 januari 1960 kwam hij weer vrij en was het ZANC omgedoopt tot United National Independence Party (UNIP). Ondanks waarschuwende woorden van Kaunda nam het verzet steeds gewelddadiger vormen aan en kreeg hij de schuld van de blanke Noord-Rhodesiërs.

Zambia onafhankelijk, Kaunda eerste president
De tijd van verzet tegen de blanke kolonisten was ondertussen in bijna geheel Afrika op gang gekomen. Ghana, Guinee en Nigeria waren de eerste landen ten zuiden van de Sahara die onafhankelijk werden. In 1962 kregen de Afrikanen in de Central African Federation stemrecht van de Britten. Bij de eerste verkiezingen haalden ANC en UNIP samen een meerderheid en kreeg Noord-Rhodesië een zwarte regering. Ook in Nyasaland kwam er een Afrikaanse meerderheidsregering.
Het onvermijdelijke gevolg was dat op 31 december 1963 de Federatie uiteenviel; Noord-Rhodesië ging Zambia heten en Nyasaland Malawi. In januari 1964 werden er nieuwe verkiezingen gehouden en behaalden de blanken van de 75 beschikbare zetels er nog maar tien. Op 24 oktober 1964 werd Zambia definitief onafhankelijk en Kaunda de eerste president. Zuid-Rhodesië bleef nog lang een blank bolwerk want pas in 1980 ontstond er een onafhankelijk Zimbabwe.
De Zambiaanse regering ging in 1964 zeer ambitieus van start en kon haar sociale en economische uitvoeren door de hoge inkomsten uit de kopermijnbouw. Er werden gratis onderwijs en gezondheidszorg ingevoerd, waardoor niet alleen de welvaart maar ook het welzijn van de Zambianen verbeterd werd.

Zambia: politiestaat
Eind jaren zestig van de vorige eeuw begon de regering-Kaunda de hele economie onder staatscontrole te brengen. De winsten die gemaakt werden in de kopermijnbouw kwamen de eigen bevolking nauwelijks ten goede en dat was in de visie van Kaunda een slechte zaak. In 1968 nam de overheid dan ook een meerderheidsaandeel van 51% in de kopermijnbouw, die volledig werd ondergebracht bij de Industrial Development Corporation (MINDECO). Er volgde nu een ware nationalisatiegolf en in 1991 werd 80% van alle economische activiteiten beheerd door de overheid.
De meeste ondernemingen waren ondergebracht bij de Zambia Industrial and Mining Corporation (Zimco), met aan het hoofd daarvan president Kaunda in eigen persoon. De officiële partij-ideologie achter al deze ontwikkelingen was sinds 1967 het zogenaamde door Kaunda ontwikkelde Zambiaans humanisme, een streven om de moderne tijdsverschijnselen te combineren met het goede uit de oude Afrikaanse tradities en gebruiken.
Door oorlogsdreigingen vanuit het buitenland en politieke ontwikkelingen in Zambia zelf werd het bewind van Kaunda steeds repressiever. In 1966 werd de United Party opgericht door twee Lozi-parlementariërs. Deze partij werd al snel populair in Barotseland, maar na gevechten tussen UP- en UNIP-aanhangers verboden. In 1968 werden er weer parlementsverkiezingen gehouden en werden de verhoudingen in het land duidelijk. Het ANC van Harry Nkumbula haalde 23 zetels, vooral onder de Tonga in de Southern province en onder de Lozi. Het UNIP van Kaunda behaalde 81 zetels en had vooral aanhangers onder de Bemba in de Copperbelt. Vice-premier Kapwepwe richtte in 1971 de Bemba partij ‘United Progressive Party’ op, maar ook deze partij werd al snel verboden door Kaunda.
Op 13 december 1972 werd er een nieuwe grondwet aangenomen en de zogenaamde ‘Tweede Republiek’ gestart. Zambia werd door deze grondwet een ‘Participatoire Democratische Eenpartijstaat’ met het Zambiaans humanisme als leidraad. Alle andere ideologieën en partijen werden verboden en nadat Kaunda in 1976 de noodtoestand afkondigde was Zambia in feite een politiestaat geworden.
Na 1972 controleerde de UNIP het economische en maatschappelijke leven volledig. De partij en de regering maakten de dienst uit in het land, vakbonden en andere belangenorganisaties werden op een zijspoor gezet. Corruptie en tegenvallende bedrijfsresultaten waren aan de orde van de dag, maar al het negatieve werd als het ware gemaskeerd door de opbrengsten uit de koperindustrie, die ervoor zorgden dat er jaar na jaar een economische groei te melden was.
Als gevolg van de oliecrisis begin jaren zeventig van de vorige eeuw, kwam er sinds 1975 aan de economische groei abrupt een einde. De koperinkomsten liepen razendsnel terug, waardoor zaken als gratis onderwijs en gezondheidszorg, hoge salarissen en subsidiëring van voedsel voor stadsbewoners niet langer betaald konden worden. Zambia werd genoodzaakt om geld bij te drukken en geld te lenen in het buitenland. Het gevolg hiervan was onvermijdelijk een oplopende inflatie tot meer dan 200% per jaar en het langzaam failliet gaan van de staat Zambia.
De ontevredenheid onder de bevolking was natuurlijk groot, maar de opkomst bij de verkiezingen van 1978 was toch nog redelijk groot. Dat de UNIP van Kaunda de verkiezingen zou winnen was natuurlijk van te voren duidelijk. In 1980 escaleerde de ontevredenheid; rellen en stakingen beheersten het straatbeeld. Kaunda reageerde door enkele vakbondsleiders gevangen te zetten, waaronder Frederick J.T. Chiluba, de voorzitter van het Zambia Congress of Trade Unions.
In 1983 werd Kaunda voor de vijfde keer herkozen onder nog steeds zeer belabberde economische omstandigheden. Het Internationale Monetaire Fonds wilde Zambia wel helpen met extra geld maar het moest daarvoor onder andere beloven de subsidiëring op voedsel stop te zetten. Het gevolg hiervan was dat de voedselprijzen nog verder stegen en er in de steden weer rellen uitbraken, die steeds gewelddadiger werden: in de Copperbelt vielen bijvoorbeeld vijftien doden. Kaunda besloot de hulp van het IMF in 1987 stop te zetten, maar door de voortdurende slechte toestand van de economie werd deze beslissing in 1989 weer herroepen. De voedselprijzen verdubbelden weer en bij nieuwe rellen in o.a. de hoofdstad Lusaka vielen nu 25 doden.
In 1990 werd er twee keer een couppoging ondernomen, die weliswaar mislukten, maar het was ook voor Kaunda duidelijk dat er iets moest gebeuren om het volk gunstig te stemmen. In april van dat jaar stemde het UNIP-congres nog tegen een meerpartijensysteem, in mei kondigde Kaunda een referendum over dat onderwerp aan. Op 25 juli werden alle gevangengenomen coupplegers en zelfs plunderaars vrijgelaten. Kaunda stelde een commissie aan die de grondwet moest gaan herschrijven. Toen deze commissie met de ontwerpgrondwet kwam was er meteen forse kritiek door de Movement for Multiparty Democracy (MMD) waar onder andere Frederick Chiluba inzat. De MMD had groot bezwaar tegen het feit dat de president ook onder de nieuwe grondwet nog veel te veel macht had in relatie tot het parlement. Onder deze druk stemde Kaunda in september 1990 in met een meerpartijenstelsel.

Chiluba wint presidentsverkiezingen
Op 31 oktober 1991 werden er presidents- en parlementsverkiezingen gehouden. Chiluba werd gekozen tot president en de MMD behaalde 150 van de 250 zetels in het parlement, waarna de Derde Republiek van start kon gaan. Op 2 november 1991 werd Chiluba ingezworen als president van Zambia en in januari 1992 trad Kaunda zelfs af als partijleider.
In juli 1992 besloot de Club van Parijs Zambia's buitenlandse schuld voor de helft kwijt te schelden. In maart 1993 werd een couppoging verijdeld; de poging werd onder andere door Kaunda's zoon Maj ondernomen.
Chiluba was optimistisch over het politiek en economisch gezond maken van het land, maar stond al snel met beide benen op de grond.
Al vlug viel de hele ministersploeg van Chiluba uit elkaar; sommigen vertrokken zelf, anderen werden door Chiluba ontslagen wegens o.a. corrruptie. Dit komen en gaan van nieuwe ministers ging nog tot in 1996 door. Ondertussen werd de herstructurering van de economie, ondanks de verwarrende politieke omstandigheden, toch resoluut aangepakt. Met behulp van de Wereldbank en het IMF werden veel staatsbedrijven geprivatiseerd, de handel met het buitenland vrijgegeven, subsidies afgeschaft, de overheid afgeslankt en er kwamen fondsen voor het stimuleren van het midden- en kleinbedrijf. De resultaten waren al snel zichtbaar: in oktober 1994 waren er al 44 staatsbedrijven geprivatiseerd, bedroeg de inflatie nog ‘maar’ 35% en nam de export van voedselproducten als suiker, honing, goud, zink, diamant, kobalt en zelfs snijbloemen naar Nederland, toe. De afhankelijkheid van het koper verminderde aanzienlijk. In 1991 bestond de totale exportwaarde voor 91% uit koper, in 1995 was dit percentage gedaald naar 72%.
De keerzijde van het economische herstructureringsprogramma werd echter ook snel duidelijk. Het gemiddelde inkomen van de Zambianen bleef zeer laag en men was daardoor nauwelijks in staat om voldoende voedsel te kopen, voedsel dat bovendien in prijs in drie jaar tijd bijna verviervoudigd was. Een ander groot probleem was de enorme werkloosheid. Tussen 1991 en 1995 verdwenen alleen al bij de overheid en de geprivatiseerde bedrijven meer dan 70.000 banen. De meeste mensen werden gedwongen om in de informele sector (straathandel, prostitutie, huishoudelijk werk) een inkomen te verdienen. Boeren op het platteland konden alleen nog in eigen onderhoud voorzien.

Kaunda wordt weer politiek actief
In deze moeilijke tijd verscheen oud-president Kaunda weer op het politieke toneel, werd in juli 1995 weer tot leider van zijn partij gekozen en stond vanaf die tijd lijnrecht tegenover Chiluba. Via een uitgekiende grondwetswijziging lukte het Chiluba en de MMD om Kaunda buiten de race om het presidentschap te houden. Deze wijziging hield in dat een president niet meer dan twee ambtstermijnen kon dienen, waardoor Kaunda, met al zes ambtstermijnen achter de rug, in feite uitgesloten werd van verdere verkiezingen.
Al in juni 1996 volgden er aanslagen op regeringsgebouwen en op het kantoor van de regeringskrant ‘Times of Zambia’. De aanslagen werden opgeëist door de organisatie ‘Black Mamba’, de oude bijnaam van Kenneth Kaunda. In verband hiermee werden negen voormannen van de UNIP gearresteerd, maar uiteindelijk toch weer vrijgelaten. Op 19 oktober 1996 maakte Chiluba bekend dat er al op 18 november van dat jaar verkiezingen zouden worden gehouden. Kaunda maakte meteen daarop bekend dat de UNIP de verkiezingen zou boycotten. Het gevolg hiervan was dat de MMD van Chiluba 129 van de 150 zetels behaalde. De tweede partij werd de National Party met slechts vijf zetels. Na de verkiezingen maakten twee onafhankelijke waarnemersgroepen bekend dat er verkiezingsfraude gepleegd was, maar dit had verder geen invloed.
Na zijn inauguratie op 21 november liet Chiluba de kantoren van deze organisatie sluiten en de leiders werden gearresteerd. In januari 1997 dienden de UNIP en andere oppositiepartijen een petitie in bij het Hooggerechtshof waarin zij stelden dat Chiluba illegaal president zou zijn omdat hij geen Zambiaanse ouders zou hebben, maar de voorgestelde DNA-test werd door Chiluba geweigerd. Ondertussen ging het economisch hervormingsprogramma door en werden onder andere de kopermijnen geprivatiseerd. De zo vurig gehoopte buitenlandse investeringen bleven echter uit en de bevolking lijdt ook nu nog steeds onder de armoede en de werkloosheid.

Couppoging tegen Chiluba mislukt
In oktober 1997 pleegden enkele officieren een coup om, naar eigen zeggen, het wanbestuur en de corruptie te bestrijden. Regeringsgetrouwe militairen arresteerden de opstandelingen echter al na een paar uur. De hierop ingestelde noodtoestand werd in maart 1998 opgeheven. Eind december 1997 werd Kaunda gearresteerd zonder in staat van beschuldiging te zijn gesteld. Na in hongerstaking te zijn gegaan en na bemiddeling door de Tanzaniaanse oud-president Nyerere, werd de detentie omgezet in huisarrest.
De rechtszitting tegen de vermeende coupplegers begon op 1 juni met de vrijlating van Kaunda, nadat de staat alle aanklachten tegen hem had ingetrokken. Kaunda, die eerder te kennen had gegeven zich te zullen terugtrekken uit de actieve politiek, liet in een toespraak op 21 oktober 1998 weten politiek leider van UNIP te blijven, omdat zijn vertrek de oppositie zou verzwakken. Het gerechtshof in Lusaka veroordeelde in 1999 59 soldaten die deelgenomen hadden aan de couppoging in 1997, tot de doodstraf. De interne politieke stabiliteit van Zambia kwam in gevaar na de moord in november 1999 op Wezi Kaunda, zoon van de voormalige president Kenneth Kaunda.
De Angolese beschuldiging dat Zambia steun geeft aan wapentransporten voor de Angolese rebellenbeweging UNITA, leidde in 1999 opnieuw tot spanning tussen beide buurlanden. De Angolese burgeroorlog bleef echter niet beperkt tot eigen grondgebied, en ook Zambia werd daarmee geconfronteerd. Het geschatte aantal Angolese vluchtelingen in Zambia was op een gegeven moment 160.000.

21e eeuw
Eind 2001 werden er weer algemene verkiezingen gehouden, die Levy Mwanawasa aan de macht brachten.

Geografie

Het Zambiaanse landschap bestaat voor een groot gedeelte uit zacht golvende plateaus met een gemiddelde hoogte van ca. 1100 meter boven zeeniveau. In het oosten en het noorden wordt het geleidelijk aan wat hoger en langs de grens met Malawi komt de hoogte regelmatig boven de 1500 meter uit. Het hoogste punt van Zambia is te vinden in de Mafinga Hills (2301 meter), op de grens met Malawi. Aan de grens met Tanzania rond Mbala ligt een gebied met een gemiddelde hoogte van 1500 meter.
De dalen van de Midden-Zambezi in West-Zambia en van de Luangwa in Oost-Zambia vormen de laagste delen van het land. Het punt waar de Zambezi en de Luangwa samenkomen is met 329 meter Zambia’s laagste punt.
Twee van de grootste rivieren van Afrika ontspringen in Zambia, de Zambezi en de Congorivier. De Zambezi is de vierde rivier van Afrika, na de Nijl, de Congo en de Niger. De Zambezi vormt in het zuiden een grensrivier met Namibië en Zimbabwe en stroomt uiteindelijk na een lange weg in de Indische Oceaan. Ongeveer driekwart van het land behoort tot het stroomgebied van de Zambezi en haar belangrijkste zijrivieren: Kabompo, Kafue en Luangwa. Het overige deel watert af op de Congo en haar zijrivieren de Chambesi en Luapula. De rivieren hebben sterk wisselende waterstanden en zijn door stroomversnellingen en watervallen slecht bevaarbaar. Beroemd zijn de Victoria-watervallen in de Zambezi, ruim 100 meter hoog en bijna twee kilometer breed. De Zambezi stort zich hier donderend omlaag in de lange zigzaggende Batoka Gorge en stroomt dan in het kunstmatige Kariba-meer, dat zich achter de Karaiba-dam gevormd heeft. Het Kariba-meer is 274 kilometer lang en tot 48 kilometer breed.
In het uiterste noordoosten ligt een gedeelte van het Tanganyika-meer. Het Tanganyika-meer is 675 kilometer lang, het tweede diepste meer ter wereld en bevat één-zesde van al het zoete water ter wereld. Ten oosten van het Bangweulu-meer ligt een moeras dat met 10.000 km2 tot de grootste ter wereld behoort.
Het grootste deel van de bodem van Zambia bestaat uit een combinatie van zand en leem; West-Zambia is overdekt met een dikke laag uit de Kalahariwoestijn afkomstig zand. In deze streken is dan ook nauwelijks landbouw mogelijk. In het noordoosten en in de Central, Southern en Eastern Province regent het veel meer en daar vinden we kleigrond.

Flora en Fauna


planten
De plantengroei in het grootste deel van het land bestaat uit savanne: grasland met een vaak zeer gevarieerde en complexe flora, inclusief kleine bomen, doornig struikgewas, cactussen en klimplanten.
Zambia’s belangrijkste vegetatiezones zijn vrij duidelijk te onderscheiden. Hieronder volgt een overzicht:

Miombo-savanne
Ca. 65% van Zambia, met name de hoger gelegen delen met wat meer regenval, is bedekt met het zogenaamde miombo-savanne. Dit vegetatietype bestaat voornamelijk uit loofverliezende bomen van de Brachystegia-soort; een andere naam voor dit type vegetatie is dan ook Brachystegia-savanne. Sommige gedeeltes zijn wat dichter bebost, andere delen wat minder, maar grote aaneengesloten bossen vindt men hier niet. Tussen de bomen groeit lang gras en andere planten.

Mopane of droge savanne
In de droge, warme valleien bestaat de vegetatie uit mopane-savanne. Belangrijkste bomen vormen hier de tot tien meter hoge Colophospermum mopane. Ook de baobab groeit in deze streken, o.a. in de nationale parken Lower Zambezi en South Luangwa. De baobab of apenbroodboom heeft een bolvormige stam die als een soort spons gebruikt wordt voor de opslag van water en koolhydraten. De grootste exemplaren, die op Madagaskar voorkomen, kunnen wel 100.000 liter water bevatten.

Munga-savanne
Tussen de miombo- en de mopane-savanne liggen kleine stukken munga-savanne, met name in Zuid-Zambia. Belangrijkste soorten hier, zijn diverse acacia’s, vaak in de vorm van kleine struiken maar soms ook bomen tot tien meter hoog.

Dambo’s
Een dambo is een komvormig stuk grasland, vaak een open plek in het bos, met een vochtig klimaat door regenwater of door grondwater. Sommige dambo’s zijn slechts een paar meter breed, andere zijn zo groot als een voetbalveld.

Mukusi-bossen
De mukusi of Zambezi-teak is een keiharde boomsoort. Er zijn nog enkele bosjes te vinden van deze boomsoort, met name in West-Zambia, ten noordwesten van de stad Livingstone.

Rivierwouden
Langs de oevers van de meeste rivieren komt een dicht bosgebied voor, met voornamelijk winterdoorn, ebbenboom en de niet te missen ‘worstboom’. De worstboom behoort tot de Kigelia pinnata-familie en deze familie bestaat uit bomen, struiken en klimplanten.
Al deze planten dragen worstvormig fruit, soms één meter lang en tien kilo zwaar. De bomen kunnen meer dan 20 meter hoog worden en ook de bloemen zijn extreem groot.

Regenwouden
In het noordwesten liggen verspreid bij meren en in rivierdalen tropische regenwouden, overblijfselen van de grote regenwouden in Angola en Congo. In de Copperbelt is veel bos aangeplant.

Moerasland
In de buurt van het Mweru- en het Bangweulumeer hebben zich uitgebreide moerassen gevormd, met sterk wisselende waterstanden. Aansluitend op de moerassen zijn uitgestrekte graslanden te vinden.

dieren
De savannefauna wordt gekenmerkt door grote planteneters als Afrikaaanse olifant (met name in het nationale park South Luangwa), puntlipneushoorn, steppezebra, wrattenzwijn, buffel, talrijke antilopen, en roofdieren als leeuw, panter en gevlekte hyena. De dierenwereld in Zambia lijkt veel op de fauna van Oost-Afrika, hoewel ook heel veel Zuid-Afrikaanse elementen nog voorkomen. Giraffen komen alleen in het uiterste westen en in het oosten voor.
In totaal zijn ongeveer 225 soorten zoogdieren en meer dan 750 vogelsoorten in Zambia bekend. De vrij schaarse bossen behoren tot verschillende typen en herbergen een vaak zeer karakteristieke dierenwereld. Enkele Centraal-Afrikaanse bosvormen met o.a. apen komen in het noordwesten voor.

De belangrijkste nationale parken van Zambia worden gedomineerd door grote rivieren, en hier komen dan ook grote aantallen krokodillen en nijlpaarden voor. Ook grote kuddes olifanten en Afrikaanse buffels (de enige authentieke Afrikaanse rundersoort) zijn hier te vinden. In de bossen en op de grote grasvlakten grazen grote kuddes zebra’s (Burchell’s en Crawshay’s zebra), impala’s en bijvoorbeeld puku’s, een antilopensoort die vooral in Zambia nog voorkomt.
In de ‘bush’, het struikgewas, komen waterbokken (gewone waterbok en Defassa waterbok) en bosbokken voor, samen met kleine antilopen als duikers en klipspringers. Antilopensoorten als de roan (grote antilopensoort die niet veel meer in zuidelijk Afrika voorkomt, maar nog wel vrij veel in Zambia), de oribi en de suni worden allemaal in hun voortbestaan bedreigd door de afname van het grasland. De Afrikaanse savanne herbergt 70 verschillende soorten antilopen.
Waar veel grazers leven, zijn ook veel roofdieren aanwezig, zoals leeuwen, luipaarden, hyena’s en jachtluipaarden (cheetah’s). Wilde honden waren op een gegeven moment bijna uitgestorven in Zambia, maar worden tegenwoordig weer steeds meer gezien. Wilde honden komen verder nog maar in vijf landen voor.
Zwarte neushoorns hebben het echter niet gered; door stropersactiviteiten zijn deze dieren in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw uitgestorven. Enkele witte neushoorns zijn nog te vinden in het Game Park in de buurt van de Victoria-watervallen.
In contrast hiermee staan de gigantisch aantallen lechwe-antilopen. Op de graslanden in buurt van het Bangweulu-meer komen nog veel zwarte lechwe’s voor, een relatief onbekende ondersoort. In West-Zambia is nog een endemische soort te vinden, de Kafue-lechwe.
Kasanka National Park en Bangweulu Wetlands zijn de beste plaatsen om sitatungas te zien, een antilopensoort die vaak in de buurt van moerassen te vinden is. De sitatungas voeden zich terwijl ze in het water staan van ongeveer een meter diep.
Afrika’s grootste antiloop, de elandantiloop heeft geschroefde hoorns van ca. 65 cm. en de mannetjes hebben een schofthoogte van 150-180 centimeter. Ze leven vaak in groepjes 6-12 dieren, maar er zijn ook kuddes van enkele duizenden exemplaren gezien.
In de nationale parken South Luangwa en Lower Zambezi zijn giraffes te zien, en Zambia heeft weer een eigen soort, de Thornicroft-giraffe. Dit geldt ook voor het wildebeest, waarvan het Cookson-wildebeest met name te vinden is in Liuwa Plain, een afgelegen graslandgebied in West-Zambia.
Dieren die nauwelijks nog buiten de nationale parken te zien zijn, zijn o.a. de honingdas, de pangolin of geschubde miereneter, verschillende soorten mangoesten en het aardvarken.
Bijzonder zijn de grote en kleine galago’s of ‘bushbabies’. Het zijn nachtdieren die overdag rusten in holle bomen of dicht gebladerte. Ze leven van insecten, bloemen, stuifmeel, honing, zaden en vruchten. Ze kunnen 14 jaar oud worden. Ze behoren tot de lori-achtigen. De grote galago leeft vooral in de Oost-Zambiaanse bossen; de kleine galago komt in het hele land voor.
Een veel voorkomende apensoort is de groene meerkat. Deze soort leeft in groepen van ca. 20 of meer exemplaren en is meestal te vinden in de buurt van water.
Ook bavianen komen veel voor in Zambia. Ze verkiezen vooral bergachtige of bosrijke gebieden. Bavianen vormen troepen van meer dan 100 dieren met een duidelijke hiërarchie.

Klimaat

Zambia ligt relatief vrij hoog, en daardoor zijn de gemiddelde temperaturen lager dan die in veel andere landen van tropisch Afrika. Zambia heeft dan ook een gematigd klimaat met alle kenmerken van een savanneklimaat. Alleen de dalen van de Midden-Zambezi en de Luapula zijn het gehele jaar heet en vochtig met gemiddeld 25°C. In de rest van Zambia bedraagt de gemiddelde jaartemperatuur ca. 22°C.
Over het algemeen is juli de koelste maand (gemiddelde temperatuur te Lusaka 15,4°C) en oktober de warmste maand (idem 24°C).
De regentijd begint in het noorden eind oktober, en duurt ca. zes maanden langer dan in het zuiden. De gemiddelde jaarlijkse neerslaghoeveelheid in het noorden bedraagt 1000-1500 mm en in het zuiden 600-1000 mm.

In Zambia kunnen drie seizoenen worden onderscheiden:

-een koel droog seizoen (april-augustus) waarbij het ’s nachts kan afkoelen tot 4-5°C, met name in juli, de ‘koudste’ maand. De dagtemperaturen op de plateaus variëren van 23-26°C, en in de valleien van 24-28°C.

-een heet droog seizoen (augustus-november) voorafgaand aan de regentijd. De dagtemperaturen op de plateaus variëren van 26-30°C en in de valleien van 38-42°C.

-een warm nat seizoen (november-april) waarin de temperaturen op de plateaus rond 27°C en in de valleien rond 32°C liggen. De luchtvochtigheid ligt in deze periode tussen 70-80%. In de regentijd regent het niet voortdurend, maar wisselen natte en droge dagen elkaar af.

Politiek en Economie

Politiek
Volgens de in 1996 gewijzigde grondwet van 1991 is Zambia een presidentiële republiek binnen het Gemenebest, met aan het hoofd een voor vijf jaar gekozen president. Sinds de nieuwe grondwet in werking trad heeft Zambia een meerpartijenstelsel die de president het recht ontneemt om boven de wet te staan, de noodtoestand uit te roepen en een kabinet samen te stellen uit leden van buiten het parlement. De president kan slechts één keer herkozen worden en volgens de grondwet dienen beide ouders van een presidentskandidaat van Zambiaanse afkomst te zijn.
De Nationale Vergadering (National Assembly), het parlement, bestaat uit 150 leden, die volgens het districtenstelsel naar Brits model voor vijf jaar bij algemeen kiesrecht gekozen worden; acht extra leden worden door de president benoemd. Er is verder een House of Chiefs, waarin de traditionele stamhoofden zitting hebben.
De belangrijkste politieke partijen zijn de United National Independence Party van K. Kaunda, die de laatste omstreden verkiezingen van november 1996 boycotte en tussen 1964 en 1991 de eenheidspartij was, en de huidige regeringspartij, de Movement for Multi-Party Democracy (MMD). In totaal zijn er ca. 30 politieke partijen actief.

Bestuurlijk is het land ingedeeld in negen provincies, Central Province (hoofdstad: Kabwe), Copperbelt (Ndola), Eastern Province (Chipata), Luapula (Mansa), Lusaka, Northern Province (Kasama), North-Western Province (Solwezi), Southern Province (Livingstone) en Western Province (Mongu).
Zambia is lid van de Verenigde Naties en een aantal van zijn suborganisaties, van het Britse Gemenebest van Naties, van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE), de GATT en geassocieerd lid van de Europese Unie.

Economie De Zambiaanse economie was altijd sterk afhankelijk van de koperwinning, maar door de daling van de koperprijs op de wereldmarkt vanaf de jaren zeventig, bleek dat de Zambiaanse economie zeer kwetsbaar was. De regering heeft geprobeerd om tot grotere diversificatie te komen, maar dat heeft tot nu toe weinig succes gehad.

Tussen 1968 en 1991 werd er een economische politiek doorgevoerd, die ertoe leidde dat de staat in veel sectoren door deelname aan het bedrijfskapitaal of door het stichten van staatsbedrijven een leidende functie kreeg.
Midden jaren tachtig kwam Zambia tot een overeenkomst met het IMF en de Wereldbank, met als voorwaarde dat er ingrijpende bezuinigd moest worden. In 1987 werd de overeenkomst met het IMF alweer verbroken, maar in 1990 werden de onderhandelingen met het IMF en de Wereldbank weer hervat.
Pas in 1991, toen president Kaunda terugtrad, ging Zambia onder leiding van de nieuwe president en oud-vakbondsleider Chiluba over tot grootscheepse privatisering van meer dan 200 staatsbedrijven. Zijn beleid werd geprezen door Wereldbank en IMF, maar stuitte zowel in eigen land als in de donorlanden op veel kritiek wegens zijn autoritaire optreden en de daarmee samenhangende inperking van politieke vrijheden. Bovendien vertaalde zich deze liberalisering en structurele aanpassing van de economie nauwelijks in economische groei.
Zambia kampt met enorme betalingsbalanstekorten en een hoge buitenlandse schuld (in 2002 5,9 miljard dollar). Het tekort op de handelsbalans bedroeg in 2002 233 miljoen dollar.
Het Bruto Nationaal Produkt stijgt op dit moment met ongeveer 4% per jaar en het inflatiepercentage ligt in de buurt van de 20%.

Bevolking

Ruim 98% van de Zambianen behoort tot een van de 73 Bantoetalige stammen. Bedacht moet wel worden dat deze 73 etnische groepen zijn samengesteld in de Britse tijd, door de Britten zelf. Door de Zambiaanse regering wordt nog steeds aan dit aantal vastgehouden, voor de Zambianen zelf is deze indeling van niet zoveel betekenis.
Wat wel klopt is dat al deze stammen tot een van de zeven taalgroepen behoren, te weten Bemba, Tonga, Nyanja, Lunda, Luvale, Lozi en Kaounde.
De basis van een Bantoe-stam vormt de ‘clan’, een groep families die aan elkaar verwant zijn doordat ze dezelfde herkenningsnaam gebruiken. De ‘chief’ van een clan heeft traditioneel nog veel gezag. Hoewel steeds minder duidelijk, is deze vorm van sociale organisatie vooral nog terug te vinden in de dorpssamenlevingen. In de steden is de situatie totaal anders, daar stelt het traditionele economische, sociale en politieke leven niet veel meer voor.

De rest van de bevolking behoort tot de Twa, de Aziaten en de Europeanen. Het aantal Europeanen is sinds de onafhankelijkheid in 1964 sterk teruggelopen, en bedraagt op dit moment nog maar enkele tienduizenden. De Aziaten komen oorspronkelijk vooral uit West-India en arriveerden pas na de Tweede Wereldoorlog.

Zambia heeft ca. 10 miljoen inwoners en de bevolkingsdichtheid bedraagt ca. 13 inwoners per km2.
De leeftijdsopbouw is ongelijk: ongeveer 47% van de bevolking is jonger dan vijftien jaar en er zijn nauwelijks ouderen. De vergelijking met Nederland is wat dat betreft veelzeggend.
Het volledige plaatje is als volgt (tussen haakjes Nederland):
0-14 jaar 47,1% (18,3%)
15-64 jaar 50,4% (67,9%)
65+ 2,5% (13,8%)
De natuurlijke bevolkingsaanwas bedroeg in de periode 1975-2000 2,3% per jaar (2002 1,9%). De zuigelingensterfte bedraagt 89,39 per 1000 levendgeborenen.

Een derde van de bevolking woont in het centrale hoogland, terwijl ook de grensgebieden met Mozambique en Malawi vrij dicht bevolkt zijn. Ca. 45% van de bevolking woont in stedelijke gebieden, waarmee Zambia de hoogste urbanisatiegraad van zwart Afrika heeft. De meeste grote steden zijn ontstaan langs de ‘line of rail’, de spoorweg die de Britten vanuit het toenmalige Zuid-Rhodesië tussen 1902 en 1910 naar het noorden aanlegden.

Zambia wordt als een van de armste landen van Afrika ook nog geteisterd door aids. De verwachting is dat in de komende tien jaar ca. 20% van alle inwoners zal overlijden aan de gevolgen van aids. Pessimisten beweren dat op dit moment al een op de drie Zambianen seropositief is.
De levensverwachting is door de verwoestende werking van aids sterk gedaald en bedraagt nu nog maar 37,05 jaar voor mannen en 37,66 jaar voor vrouwen. In 1999 telde Zambia al 870.000 HIV-geïnfecteerden en 99.000 aidsdoden.

Cultuur
Zambia heeft ruim negen miljoen inwoners. De Zambiaanse bevolking bestaat voor 98 procent uit Afrikanen en voor 1 procent uit Europeanen.
De meerderheid van de Afrikanen bestaat uit Bantoevolken. Hierna komen de Bemba (34 procent van de Afrikaanse bevolking) en de Tonga (16 procent). De Bemba wonen in het noorden en de Tonga vooral in het zuiden.
Andere belangrijke groepen zijn de Lozi (in het zuidwesten), Lunda, Luvale en Kaonde (in het noordwesten), de Lunga (in het noordoosten) en de Chewa en Nguni (in het oosten).
Naast Europeanen woont er een handjevol Aziaten in Zambia. Zij werken voornamelijk op contractbasis in de mijnbouw en in de overheidssector. De Europeanen zijn vooral Britten.

Muziek en dans
Muziek is belangrijk in de Zambiaanse cultuur. De traditionele muziek heeft een sterk ritme en wordt meestal gespeeld op drums, fluiten en 'handpiano's' (een klein rechthoekig instrument met ijzeren toetsen die met de duimen wordt bespeeld).
Bij de muziek wordt ook gedanst.

Handwerk
Handwerk is erg populair in Zambia. In dit land kom je de prachtigste manden tegen. Deze manden worden gemaakt door zowel vrouwen als mannen.
Veelgebruikte materialen zijn bamboe, papyrusbladeren en sisal. Manden maken is seizoenswerk en Zambianen doen het meestal naast hun gewone werk om wat bij te verdienen.

Lozi en Mbunda
De Lozi en de Mbunda stammen in het westen van het land houden zich met andere dingen bezig. De mannen werken met hout en vervaardigen voorwerpen zoals kano's, meubelen, maskers, drums, houten kommetjes en wandelstokken. De vrouwen van deze stammen maken aardewerken potten.

Zambiaanse architectuur
Architectonische meesterwerken stammen meestal nog uit de koloniale tijd. Voorbeelden hiervan zijn het North West Hotel , de St. Andrews Anglican Church en de Coillard Memorial Church in Livingstone.

Praktische info

Paspoort en visum
Er is geen probleem met het uitvoeren van normale vakantiesouvenirs. Alleen voor sommige voorwerpen (voornamelijk uit de natuur, zoals wildtrofeeën) zijn officiële export bewijzen van het Department of National Parks nodig. Bij twijfel kunt u altijd navraag doen bij het Department of National Parks. Ivoor wordt wel verkocht in Zambia, maar met de invoer hiervan in Nederland kunnen grote problemen ontstaan. Het wordt dan ook afgeraden om dit mee naar huis te nemen.
Een visum (en dus ook een geldig paspoort) is nodig om Zambia binnen te komen. Met een visum is het mogelijk om drie maanden in Zambia te verblijven.
De Zambiaanse douane wil niet dat hun werkzaamheden worden gefotografeerd. Ook is het af te raden om foto's te maken van vliegvelden, postkantoren, bruggen, publieke gebouwen, militaire gebieden enzovoort. Wees altijd erg voorzichtig met fotograferen, want de Zambianen zijn hier over het algemeen niet zo blij mee.

Geldzaken
De officiële munt sinds 1968 is de Zambiaanse kwacha (ZMK) = 100 ngwee. Het gemakkelijkste is het wisselen met de Amerikaanse dollar of de Engelse pond. Dit kan worden gedaan in de meeste grotere steden waar de wisselkantoren zijn gevestigd. Dit wordt aangeraden, omdat het wisselen in banken meestal duurder is. Met de Nederlandse pinpas kan geen geld worden opgenomen in Zambia.
Met het oog op veiligheid zijn de travellercheques het beste. Deze worden bij diefstal vergoed.
De centrale bank van Zambia is 'The Bank of Zambia'. Hiernaast is er ook een aantal buitenlandse banken gevestigd in Zambia.
Tot een aantal jaren geleden werd er druk gehandeld in buitenlands geld op zwarte markten. Dit kwam doordat de kwacha niet correspondeerde met de valuta van het geld dat in omloop was. De overheid heeft dit veranderd, waardoor de zwarte handel nutteloos is geworden.

Vaccinaties
Om te weten welke vaccinaties en anti-malariamaatregelen voor u en uw reis nodig zijn, moet u zich persoonlijk laten adviseren door een reizigersadvies- en vaccinatiebureau of door uw huisarts. De reisbestemming, de verblijfsduur, de soort reis en de gezondheid en leeftijd van een reiziger bepalen wat er nodig is. Vaccinaties en anti-malariamaatregelen kunnen dus verschillen per reiziger.

Veiligheid


Bagage
In totaal mag u 20 kilo bagage meenemen, plus 1 stuk handbagage van normale afmeting. Wij adviseren u uw bagage zo selectief mogelijk samen te stellen en zo weinig mogelijk mee te nemen. Bij extra aankopen in het buitenland heeft u al snel overbagage en het meenemen van extra kilo's op de vlucht is zeer kostbaar. In ieder hotel kunt u uw was laten doen. In deze uitgave vindt u ook een handige bagagechecklist, waarin artikelen staan genoemd die u onderweg nodig kunt hebben.

makkelijk zittende kleding (katoen of linnen)
een vest of sweater (tijdens de vlucht, in een airconditioned ruimte of in hooggelegen gebieden kan het behoorlijk koel zijn)
een lange broek voor de avonden
een petje tegen de felle zon
een paar makkelijke schoenen
badlaken en badkleding
camera
batterijen voor de camera
filmrolletjes
zonnebril
zaklantaarn (in geval electriciteit uitvalt)
verrekijker
wekkertje
een of meer reisgidsen over uw reisbestemming
mottenballen tegen eventuele kakkerlakken
eventuele reservebril
vochtige tissues (Wetties)
fruitmesje
een notitieboekje en schrijfgerei
Immodium (tegen diarree)
Dulcolax (tegen obstipatie)
Sterilon of jodium (om wondjes te ontsmetten)
Anti-muggen-middel (Jaico)
Azaron tegen insectenbeten
Vitamine B-tabletten (helpt tegen muggen !)
Pleisters en een schaartje
Medicijnen (aspirines, malaria-tabletten e.d.)
Slaaptabletjes en/of Melatonine (voor in het vliegtuig)

Wanneer u om gezondheidsredenen een grote hoeveelheid medicijnen moet meenemen op reis, is het raadzaam om een medisch paspoort bij u te hebben. Deze wordt verstrekt door uw arts en geeft aan welke medicijnen u bij u heeft. Dit kan eventuele problemen op de luchthaven voorkomen.

copyright: Paul Janssen