Geschiedenis
De eerste menselijke bewoning in het huidige Zambia dateert van ca. 200.000 jaar
geleden. Gereedschap en bewerkte vuurstenen getuigen daarvan. Een belangrijke
archeologische vondst werd in 1921 gedaan, de zogenaamde Broken Hill Man. De
schedel die gevonden werd, schatte men op 125.000-300.000 jaar oud, en men
beschouwt deze Broken Hill Man als een verre verwant van de Europese
Neanderthaler.
Ca. 17.000 jaar geleden trokken bushmen of Twa door de
Zambiaanse savannes. Aanvankelijk waren het jagers en verzamelaars, maar later
vestigden zich landbouwers in dit gebied. Van dit volk zijn veel rotstekeningen
teruggevonden. De tegenwoordige Twa leven nog in kleine groepjes als vissers en
verzamelaars in de moerasgebieden van de Kafue en in de buurt van het
Bangweulu-meer.
Rond het begin van onze jaartelling kwamen er vanuit het
noorden Bantoe-volken naar Zambia. In deze tijd begon men zich ook op grote
schaal op een vaste plaats te vestigen. Deze volken brachten nieuwe landbouw- en
veeteelttechnieken mee, maar tot in de 19e eeuw leefden de Bantoes (o.a. de
Kalomo-stam) en de Twa redelijk gescheiden van elkaar. Vanaf de vijftiende namen
de jagers flink in aantal af, omdat er steeds meer landbouwgrond nodig was voor
nieuwe immigranten.
De Bantoes hadden gereedschap van ijzer, gebruikten
koper en waren bovendien verdienstelijke pottenbakkers. Verder is duidelijk
geworden dat ze handel dreven met volken aan de oostkust van Afrika, o.a. in
Tanzania.
Het Lunda-Luba rijk
Rond het jaar 1000 trokken nieuwe Bantoe-sprekende volken Zambia binnen en tussen 1100 en
1200 volgden voorouders van de Tonga-stam, die vanuit het Grote Merengebied in
Centraal-Afrika naar het zuiden van Zambia trokken, waar ze nu nog steeds wonen.
In de 16e eeuw ontwikkelde zich vanuit de graslanden in Katanga, in het
zuiden van het Congo-bekken, het voor deze regio belangrijke Luba-koninkrijk.
Nieuw aan dit volk was dat ze een sterk centraal gezag hadden, en zich daardoor
vrij gemakkelijk konden uitbreiden ten koste van andere, vaak kleinere volken.
Een centraal gezag zorgt ook vaak voor interne spanningen, en dat was in het
Luba-rijk niet anders. Als gevolg van dit alles trokken veel stammen weg en
stichtten ergens anders nieuwe koninkrijken, vanaf nu ook vaak met een sterk
centraal gezag.
Het grootste van deze nieuwe koninkrijken werd het
Lunda-rijk, naar wie alle andere koninkrijkjes ook genoemd werden. Deze
Lunda-koninkrijkjes kwamen voor in West-, Midden-, en Noord-Zambia en in
Oost-Angola. Aan het hoofd van deze rijkjes stond een ‘kazembe’, die een soort
gouverneurs aanstelden en het lokaal bestuur overliet aan de vele dorpshoofden.
In die tijd was er ook al een uitgebreide ruilhandel (o.a. ivoor) met Europa
(o.a. Portugezen) ontstaan.
Belangrijke groepen die uit de Lunda-rijken
voortkwamen, waren de Lozi en de Bemba. Zowel de Bemba als de Lozi kwamen vanuit
het noorden en het westen (Katanga) het huidige Zambia binnen. De Bemba
vestigden zich in de Northern Province en in Luapula. Het waren landbouwers,
maar toen dat niet genoeg opleverde werden ze rijk door vanaf de achttiende eeuw
met veediefstallen, slavenhandel en veroveringstochten de kost te verdienen.
Onder opeenvolgende koningen of ‘chitumuku’s’ werd hun woongebied steeds groter.
De Lozi kwamen eveneens vanuit Katanga naar Zambia. Zij gingen wonen in het
overstromingsgebied van de Zambezi-rivier in de Western Province. Door de vele
overstromingen ontstond hier een vruchtbaar landbouwgebied dat in die tijd
zorgde voor een welvarend Lozi-rijk. Ook de Lozi kenden een strak geleide
staatsvorm met een koning of ‘litunga’ aan het hoofd en een uitgebreid netwerk
van stamhoofden, die ervoor zorgden dat alles wat met de productie van
landbouwproducten en veeteelt te maken had, in goede banen werd geleid.
Door de Zoeloe-oorlogen in zuidelijk Afrika, vluchtten vele mensen van
daaruit naar het noorden. Bedreigend waren vooral de Ngoni, die Oost-Zambia
binnentrokken, en de Kololo, die het land van de Lozi binnendrongen.
Eind
negentiende eeuw waren de Europeanen zover dat ze op grote schaal de mysterieuze
binnenlanden van Afrika binnendrongen. In zuidelijk Afrika troffen ze elkaar
bestrijdende stammen aan die erop uit waren om zoveel mogelijk land van elkaar
af te pakken. In het huidige Zambia bestreden de Bemba en de Ngoni elkaar in het
noorden en oosten van het land. In het westen vochten de Kololo en de Lozi tegen
elkaar en de Tonga werden in het zuiden aangevallen door de Ndebele.
De eerste Europeanen
De eerste Europeanen die in contact kwamen met de Afrikanen in het binnenland waren de
Portugezen. Het waren goudzoekers en ze probeerden ook de kolonies aan de oost-
en westkust met elkaar te verbinden.
De Bemba werden vanaf ca. 1840 ingezet
als slavenhandelaren, die samen met Arabische en Portugese handelaren
slaventochten hielden. Deze slaven gingen naar de plantages in de Portugese
koloniën en naar Arabische sultanaten. Grote delen van Zambia hadden onder deze
prakrijken te lijden, want samenlevingen werden totaal ontwricht.
Halverwege
de jaren vijftig van de achttiende eeuw gingen de Britten in onder andere Zambia
op zoek naar grondstoffen voor hun industrie. Bekende namen uit deze tijd waren
de latere staatsman Cecil John Rhodes en de ontdekkingsreiziger David
Livingstone. Livingstone hield zich lange tijd op in de Lozi- en Bemba-gebieden
tussen Victoria Falls en het Tanganyika-meer. Hij wilde de bevolking tevens
kerstenen en als verklaard tegenstander van de slavernij hun
levensomstandigheden verbeteren.
Rhodes was een totaal andere figuur, met
andere, vooral economische belangen. Hij was vooral geïnteresseerd in de vele
grondstoffen die verborgen zaten in de Afrikaanse bodem en stond volledig achter
het streven van de Britten om het gehele Afrikaanse continent in handen te
krijgen. Om dit doel te bereiken richtte hij in 1889 de British South Africa
Company (BSAC) op. Hij mocht van de Britse koningin Victoria ook
onderhandelingen voeren over het bestuur van grote delen van Afrika. Dit lukte
hem inderdaad door bedreigde volkeren bescherming te bieden in ruil voor
mijnbouwconcessies. Alleen de Vrijstaat Congo werd op dezelfde manier door de
Belgen ‘ingepikt’. Later werd de geldigheid van de destijds gesloten
overeenkomsten zelfs naar Engels recht in twijfel getrokken; sinds 1973 is de
koperwinning geheel in Zambiaanse handen.
In 1895 kreeg het gehele door de
BSAC beheerste gebied de naam Rhodesië. Tot 1911 waren Noordwest-Rhodesië en
Noordoost-Rhodesië bestuurlijk van elkaar gescheiden. In 1923 kreeg
Zuid-Rhodesië (het huidige Zimbabwe) een vorm van zelfbestuur binnen het Britse
Rijk, maar Noord-Rhodesië werd in 1924 rechtstreeks onder het ministerie van
Koloniën in Londen geplaatst. De koloniale ambtenaren bestuurden het land op
basis van de zogenaamde ‘indirect rule’, dat wil zeggen dat de stamhoofden de
macht leken te hebben, maar de koloniale ambtenaren het feitelijk gezag voerden
en de stamhoofden werden ook door hen gecontroleerd.
Noord-Rhodesië wordt een Britse kolonie
Tot 1 april 1924 behield de BSAC de formele zeggenschap over de
beschermde gebieden. Vanaf die datum werd Noord-Rhodesië een Britse kolonie met
een door de Britse regering aangewezen gouverneur, die vanaf 1935 zijn
standplaats had in de nieuwe hoofdstad Lusaka. De eerste Wetgevende Raad bestond
aanvankelijk volledig uit blanken, pas in 1938 werden Afrikanen toegelaten.
Tot die tijd hadden de lokale leiders en ‘chiefs’ alleen nog wat te
vertellen over hun eigen mensen, maar verder bepaalden de Britten alles wat er
in het land gebeurde. Zo werd er in 1900 een zogenaamde ‘native tax’ ingevoerd,
waarbij er voor de arme bevolking niets anders opzat dan voor de blanken te gaan
werken in de mijnen en op de plantages, om zo aan het benodigde geld te komen.
Deze bedrijven lagen vooral in Congo, Zuid-Rhodesië (later Zimbabwe) en
Zuid-Afrika.
Noord-Rhodesië diende begin 20e eeuw als arbeidsreservoir,
voedselproducent en doorvoerland voor mineralen vanuit Katanga, een gebied
tussen Zambia en de Vrijstaat Congo van de Belgen. Tot 1928 bestond alleen de
mogelijkheid via een spoorlijn door Noord- en Zuid-Rhodesië ertsen van Katanga
naar de havens af te voeren. Langs deze spoorlijn produceerden Europese boeren
hun producten. Dit alles kwam de zwarte bevolking niet ten goede en toen de
Britse regering het bestuur van de BSAC vernam, was Noord-Rhodesië een van de
armste kolonies van het Britse rijk. Dit beeld veranderde aanzienlijk vanaf
1928, toen er een begin gemaakt werd met de kopermijnbouw (Copperbelt) in
Noord-Rhodesië. Vooral Bemba-mannen gingen werken in de mijnen en andere
bevolkingsgroepen wisten bij de mijnen hun producten te slijten.
Ook het
aantal blanken nam zienderogen toe, zonder te kunnen spreken van een zogenaamde
‘settler-economie’, waarvan wel sprake was in Zuid-Afrika en Zimbabwe. Opvallend
voor Zambia was wel de grote mate van verstedelijking. Discriminatie en een vorm
van apartheid waren ook typisch voor de verhouding tussen de Britten en de
Afrikanen, ook al waren er tot begin jaren vijftig meer dan vijf keer zoveel
Afrikanen dan blanken. Sommige restaurants waren verboden terrein en de beste
banen waren voor blanke kolonisten.
De Britten zagen de ongelijke situatie
wel in en wilden een federatie (Noord-, en Zuid-Rhodesië en Nyasaland) met
intern zelfbestuur, maar wel volledig overheerst door de blanken. Afrikaanse
politici, waaronder Harry Nkumbula, waren fel tegen dit idee. Hij werd tijdens
een studie in Londen nog meer geïnspireerd door Kwame Nkrumah, de latere
president van Ghana. Toen Nkumbula in 1950 terugkeerde uit Londen richtte hij
het African National Congress (ANC) op waarvan de Zambiaan Kenneth Kaunda de
secretaris-generaal werd. In april 1953 schreven ze een petitie aan koningin
Elizabeth II van Groot-Brittannië om de federatieplannen van de kolonisten te
stoppen. Dit was echter tevergeefs en op 23 oktober 1953 ging de Central African
Federation (Noord- en Zuid-Rhodesië en Malawi van start onder leiding van
premier Lord Malvern.
Onder het bewind van de Malvern kreeg de nieuwe staat
meteen trekjes van een apartheidsstaat. Zo was er geen stemrecht voor de
Afrikanen en er vond op grote schaal uitbuiting plaats door het betalen van zeer
lage lonen in de mijnbouw en in de industrie. De inkomsten uit de koperwinning
in Noord-Rhodesië (Zambia) kwamen niet ten goede aan de ontwikkeling van de
inheemse bevolking, maar aan de blanke kolonisten in Zuid-Rhodesië.
Zuid-Rhodesië profiteerde dus veruit het meest van deze situatie en de twee
andere deelstaten bungelden er economisch maar een beetje bij. Het verzet
hiertegen nam onvermijdelijk toe en resulteerde in 1958 in een scheuring binnen
het ANC.
De partij die zich afsplitste noemde zich Zambia African National
Congress (ZANC) en stond onder leiding van de radicalere Kenneth Kaunda. In 1959
werd de partij alweer verboden en Kaunda werd met een aantal medestanders
gevangengezet. Op 9 januari 1960 kwam hij weer vrij en was het ZANC omgedoopt
tot United National Independence Party (UNIP). Ondanks waarschuwende woorden van
Kaunda nam het verzet steeds gewelddadiger vormen aan en kreeg hij de schuld van
de blanke Noord-Rhodesiërs.
Zambia onafhankelijk, Kaunda eerste president
De tijd van verzet tegen de blanke kolonisten was ondertussen in bijna
geheel Afrika op gang gekomen. Ghana, Guinee en Nigeria waren de eerste landen
ten zuiden van de Sahara die onafhankelijk werden. In 1962 kregen de Afrikanen
in de Central African Federation stemrecht van de Britten. Bij de eerste
verkiezingen haalden ANC en UNIP samen een meerderheid en kreeg Noord-Rhodesië
een zwarte regering. Ook in Nyasaland kwam er een Afrikaanse
meerderheidsregering.
Het onvermijdelijke gevolg was dat op 31 december 1963
de Federatie uiteenviel; Noord-Rhodesië ging Zambia heten en Nyasaland Malawi.
In januari 1964 werden er nieuwe verkiezingen gehouden en behaalden de blanken
van de 75 beschikbare zetels er nog maar tien. Op 24 oktober 1964 werd Zambia
definitief onafhankelijk en Kaunda de eerste president. Zuid-Rhodesië bleef nog
lang een blank bolwerk want pas in 1980 ontstond er een onafhankelijk Zimbabwe.
De Zambiaanse regering ging in 1964 zeer ambitieus van start en kon haar
sociale en economische uitvoeren door de hoge inkomsten uit de kopermijnbouw. Er
werden gratis onderwijs en gezondheidszorg ingevoerd, waardoor niet alleen de
welvaart maar ook het welzijn van de Zambianen verbeterd werd.
Zambia: politiestaat
Eind jaren zestig van de vorige eeuw begon de regering-Kaunda de hele economie onder staatscontrole te brengen. De winsten
die gemaakt werden in de kopermijnbouw kwamen de eigen bevolking nauwelijks ten
goede en dat was in de visie van Kaunda een slechte zaak. In 1968 nam de
overheid dan ook een meerderheidsaandeel van 51% in de kopermijnbouw, die
volledig werd ondergebracht bij de Industrial Development Corporation (MINDECO).
Er volgde nu een ware nationalisatiegolf en in 1991 werd 80% van alle
economische activiteiten beheerd door de overheid.
De meeste ondernemingen
waren ondergebracht bij de Zambia Industrial and Mining Corporation (Zimco), met
aan het hoofd daarvan president Kaunda in eigen persoon. De officiële
partij-ideologie achter al deze ontwikkelingen was sinds 1967 het zogenaamde
door Kaunda ontwikkelde Zambiaans humanisme, een streven om de moderne
tijdsverschijnselen te combineren met het goede uit de oude Afrikaanse tradities
en gebruiken.
Door oorlogsdreigingen vanuit het buitenland en politieke
ontwikkelingen in Zambia zelf werd het bewind van Kaunda steeds repressiever. In
1966 werd de United Party opgericht door twee Lozi-parlementariërs. Deze partij
werd al snel populair in Barotseland, maar na gevechten tussen UP- en
UNIP-aanhangers verboden. In 1968 werden er weer parlementsverkiezingen gehouden
en werden de verhoudingen in het land duidelijk. Het ANC van Harry Nkumbula
haalde 23 zetels, vooral onder de Tonga in de Southern province en onder de
Lozi. Het UNIP van Kaunda behaalde 81 zetels en had vooral aanhangers onder de
Bemba in de Copperbelt. Vice-premier Kapwepwe richtte in 1971 de Bemba partij
‘United Progressive Party’ op, maar ook deze partij werd al snel verboden door
Kaunda.
Op 13 december 1972 werd er een nieuwe grondwet aangenomen en de
zogenaamde ‘Tweede Republiek’ gestart. Zambia werd door deze grondwet een
‘Participatoire Democratische Eenpartijstaat’ met het Zambiaans humanisme als
leidraad. Alle andere ideologieën en partijen werden verboden en nadat Kaunda in
1976 de noodtoestand afkondigde was Zambia in feite een politiestaat geworden.
Na 1972 controleerde de UNIP het economische en maatschappelijke leven
volledig. De partij en de regering maakten de dienst uit in het land, vakbonden
en andere belangenorganisaties werden op een zijspoor gezet. Corruptie en
tegenvallende bedrijfsresultaten waren aan de orde van de dag, maar al het
negatieve werd als het ware gemaskeerd door de opbrengsten uit de
koperindustrie, die ervoor zorgden dat er jaar na jaar een economische groei te
melden was.
Als gevolg van de oliecrisis begin jaren zeventig van de vorige
eeuw, kwam er sinds 1975 aan de economische groei abrupt een einde. De
koperinkomsten liepen razendsnel terug, waardoor zaken als gratis onderwijs en
gezondheidszorg, hoge salarissen en subsidiëring van voedsel voor stadsbewoners
niet langer betaald konden worden. Zambia werd genoodzaakt om geld bij te
drukken en geld te lenen in het buitenland. Het gevolg hiervan was
onvermijdelijk een oplopende inflatie tot meer dan 200% per jaar en het langzaam
failliet gaan van de staat Zambia.
De ontevredenheid onder de bevolking was
natuurlijk groot, maar de opkomst bij de verkiezingen van 1978 was toch nog
redelijk groot. Dat de UNIP van Kaunda de verkiezingen zou winnen was natuurlijk
van te voren duidelijk. In 1980 escaleerde de ontevredenheid; rellen en
stakingen beheersten het straatbeeld. Kaunda reageerde door enkele
vakbondsleiders gevangen te zetten, waaronder Frederick J.T. Chiluba, de
voorzitter van het Zambia Congress of Trade Unions.
In 1983 werd Kaunda voor
de vijfde keer herkozen onder nog steeds zeer belabberde economische
omstandigheden. Het Internationale Monetaire Fonds wilde Zambia wel helpen met
extra geld maar het moest daarvoor onder andere beloven de subsidiëring op
voedsel stop te zetten. Het gevolg hiervan was dat de voedselprijzen nog verder
stegen en er in de steden weer rellen uitbraken, die steeds gewelddadiger
werden: in de Copperbelt vielen bijvoorbeeld vijftien doden. Kaunda besloot de
hulp van het IMF in 1987 stop te zetten, maar door de voortdurende slechte
toestand van de economie werd deze beslissing in 1989 weer herroepen. De
voedselprijzen verdubbelden weer en bij nieuwe rellen in o.a. de hoofdstad
Lusaka vielen nu 25 doden.
In 1990 werd er twee keer een couppoging
ondernomen, die weliswaar mislukten, maar het was ook voor Kaunda duidelijk dat
er iets moest gebeuren om het volk gunstig te stemmen. In april van dat jaar
stemde het UNIP-congres nog tegen een meerpartijensysteem, in mei kondigde
Kaunda een referendum over dat onderwerp aan. Op 25 juli werden alle
gevangengenomen coupplegers en zelfs plunderaars vrijgelaten. Kaunda stelde een
commissie aan die de grondwet moest gaan herschrijven. Toen deze commissie met
de ontwerpgrondwet kwam was er meteen forse kritiek door de Movement for
Multiparty Democracy (MMD) waar onder andere Frederick Chiluba inzat. De MMD had
groot bezwaar tegen het feit dat de president ook onder de nieuwe grondwet nog
veel te veel macht had in relatie tot het parlement. Onder deze druk stemde
Kaunda in september 1990 in met een meerpartijenstelsel.
Chiluba wint presidentsverkiezingen
Op 31 oktober 1991 werden er presidents- en parlementsverkiezingen
gehouden. Chiluba werd gekozen tot president en de MMD behaalde 150 van de 250
zetels in het parlement, waarna de Derde Republiek van start kon gaan. Op 2
november 1991 werd Chiluba ingezworen als president van Zambia en in januari
1992 trad Kaunda zelfs af als partijleider.
In juli 1992 besloot de Club van
Parijs Zambia's buitenlandse schuld voor de helft kwijt te schelden. In maart
1993 werd een couppoging verijdeld; de poging werd onder andere door Kaunda's
zoon Maj ondernomen.
Chiluba was optimistisch over het politiek en
economisch gezond maken van het land, maar stond al snel met beide benen op de
grond.
Al vlug viel de hele ministersploeg van Chiluba uit elkaar; sommigen
vertrokken zelf, anderen werden door Chiluba ontslagen wegens o.a. corrruptie.
Dit komen en gaan van nieuwe ministers ging nog tot in 1996 door. Ondertussen
werd de herstructurering van de economie, ondanks de verwarrende politieke
omstandigheden, toch resoluut aangepakt. Met behulp van de Wereldbank en het IMF
werden veel staatsbedrijven geprivatiseerd, de handel met het buitenland
vrijgegeven, subsidies afgeschaft, de overheid afgeslankt en er kwamen fondsen
voor het stimuleren van het midden- en kleinbedrijf. De resultaten waren al snel
zichtbaar: in oktober 1994 waren er al 44 staatsbedrijven geprivatiseerd,
bedroeg de inflatie nog ‘maar’ 35% en nam de export van voedselproducten als
suiker, honing, goud, zink, diamant, kobalt en zelfs snijbloemen naar Nederland,
toe. De afhankelijkheid van het koper verminderde aanzienlijk. In 1991 bestond
de totale exportwaarde voor 91% uit koper, in 1995 was dit percentage gedaald
naar 72%.
De keerzijde van het economische herstructureringsprogramma werd
echter ook snel duidelijk. Het gemiddelde inkomen van de Zambianen bleef zeer
laag en men was daardoor nauwelijks in staat om voldoende voedsel te kopen,
voedsel dat bovendien in prijs in drie jaar tijd bijna verviervoudigd was. Een
ander groot probleem was de enorme werkloosheid. Tussen 1991 en 1995 verdwenen
alleen al bij de overheid en de geprivatiseerde bedrijven meer dan 70.000 banen.
De meeste mensen werden gedwongen om in de informele sector (straathandel,
prostitutie, huishoudelijk werk) een inkomen te verdienen. Boeren op het
platteland konden alleen nog in eigen onderhoud voorzien.
Kaunda wordt weer politiek actief
In deze moeilijke tijd verscheen oud-president Kaunda weer op het politieke toneel, werd in juli 1995
weer tot leider van zijn partij gekozen en stond vanaf die tijd lijnrecht
tegenover Chiluba. Via een uitgekiende grondwetswijziging lukte het Chiluba en
de MMD om Kaunda buiten de race om het presidentschap te houden. Deze wijziging
hield in dat een president niet meer dan twee ambtstermijnen kon dienen,
waardoor Kaunda, met al zes ambtstermijnen achter de rug, in feite uitgesloten
werd van verdere verkiezingen.
Al in juni 1996 volgden er aanslagen op
regeringsgebouwen en op het kantoor van de regeringskrant ‘Times of Zambia’. De
aanslagen werden opgeëist door de organisatie ‘Black Mamba’, de oude bijnaam van
Kenneth Kaunda. In verband hiermee werden negen voormannen van de UNIP
gearresteerd, maar uiteindelijk toch weer vrijgelaten. Op 19 oktober 1996 maakte
Chiluba bekend dat er al op 18 november van dat jaar verkiezingen zouden worden
gehouden. Kaunda maakte meteen daarop bekend dat de UNIP de verkiezingen zou
boycotten. Het gevolg hiervan was dat de MMD van Chiluba 129 van de 150 zetels
behaalde. De tweede partij werd de National Party met slechts vijf zetels. Na de
verkiezingen maakten twee onafhankelijke waarnemersgroepen bekend dat er
verkiezingsfraude gepleegd was, maar dit had verder geen invloed.
Na zijn
inauguratie op 21 november liet Chiluba de kantoren van deze organisatie sluiten
en de leiders werden gearresteerd. In januari 1997 dienden de UNIP en andere
oppositiepartijen een petitie in bij het Hooggerechtshof waarin zij stelden dat
Chiluba illegaal president zou zijn omdat hij geen Zambiaanse ouders zou hebben,
maar de voorgestelde DNA-test werd door Chiluba geweigerd. Ondertussen ging het
economisch hervormingsprogramma door en werden onder andere de kopermijnen
geprivatiseerd. De zo vurig gehoopte buitenlandse investeringen bleven echter
uit en de bevolking lijdt ook nu nog steeds onder de armoede en de werkloosheid.
Couppoging tegen Chiluba mislukt
In oktober 1997 pleegden enkele officieren een coup om, naar eigen zeggen, het wanbestuur en de corruptie te
bestrijden. Regeringsgetrouwe militairen arresteerden de opstandelingen echter
al na een paar uur. De hierop ingestelde noodtoestand werd in maart 1998
opgeheven. Eind december 1997 werd Kaunda gearresteerd zonder in staat van
beschuldiging te zijn gesteld. Na in hongerstaking te zijn gegaan en na
bemiddeling door de Tanzaniaanse oud-president Nyerere, werd de detentie omgezet
in huisarrest.
De rechtszitting tegen de vermeende coupplegers begon op 1
juni met de vrijlating van Kaunda, nadat de staat alle aanklachten tegen hem had
ingetrokken. Kaunda, die eerder te kennen had gegeven zich te zullen
terugtrekken uit de actieve politiek, liet in een toespraak op 21 oktober 1998
weten politiek leider van UNIP te blijven, omdat zijn vertrek de oppositie zou
verzwakken. Het gerechtshof in Lusaka veroordeelde in 1999 59 soldaten die
deelgenomen hadden aan de couppoging in 1997, tot de doodstraf. De interne
politieke stabiliteit van Zambia kwam in gevaar na de moord in november 1999 op
Wezi Kaunda, zoon van de voormalige president Kenneth Kaunda.
De Angolese
beschuldiging dat Zambia steun geeft aan wapentransporten voor de Angolese
rebellenbeweging UNITA, leidde in 1999 opnieuw tot spanning tussen beide
buurlanden. De Angolese burgeroorlog bleef echter niet beperkt tot eigen
grondgebied, en ook Zambia werd daarmee geconfronteerd. Het geschatte aantal
Angolese vluchtelingen in Zambia was op een gegeven moment 160.000.
21e eeuw
Eind 2001 werden er weer algemene verkiezingen gehouden,
die Levy Mwanawasa aan de macht brachten.
Flora en Fauna
planten
De plantengroei in het grootste deel van het land bestaat uit savanne: grasland met een vaak
zeer gevarieerde en complexe flora, inclusief kleine bomen, doornig struikgewas,
cactussen en klimplanten.
Zambia’s belangrijkste vegetatiezones zijn vrij
duidelijk te onderscheiden. Hieronder volgt een overzicht:
Miombo-savanne
Ca. 65% van Zambia, met name de hoger gelegen delen
met wat meer regenval, is bedekt met het zogenaamde miombo-savanne. Dit
vegetatietype bestaat voornamelijk uit loofverliezende bomen van de
Brachystegia-soort; een andere naam voor dit type vegetatie is dan ook
Brachystegia-savanne. Sommige gedeeltes zijn wat dichter bebost, andere delen
wat minder, maar grote aaneengesloten bossen vindt men hier niet. Tussen de
bomen groeit lang gras en andere planten.
Mopane of droge savanne
In
de droge, warme valleien bestaat de vegetatie uit mopane-savanne. Belangrijkste
bomen vormen hier de tot tien meter hoge Colophospermum mopane. Ook de baobab
groeit in deze streken, o.a. in de nationale parken Lower Zambezi en South
Luangwa. De baobab of apenbroodboom heeft een bolvormige stam die als een soort
spons gebruikt wordt voor de opslag van water en koolhydraten. De grootste
exemplaren, die op Madagaskar voorkomen, kunnen wel 100.000 liter water
bevatten.
Munga-savanne
Tussen de miombo- en de mopane-savanne
liggen kleine stukken munga-savanne, met name in Zuid-Zambia. Belangrijkste
soorten hier, zijn diverse acacia’s, vaak in de vorm van kleine struiken maar
soms ook bomen tot tien meter hoog.
Dambo’s
Een dambo is een
komvormig stuk grasland, vaak een open plek in het bos, met een vochtig klimaat
door regenwater of door grondwater. Sommige dambo’s zijn slechts een paar meter
breed, andere zijn zo groot als een voetbalveld.
Mukusi-bossen
De
mukusi of Zambezi-teak is een keiharde boomsoort. Er zijn nog enkele bosjes te
vinden van deze boomsoort, met name in West-Zambia, ten noordwesten van de stad
Livingstone.
Rivierwouden
Langs de oevers van de meeste rivieren
komt een dicht bosgebied voor, met voornamelijk winterdoorn, ebbenboom en de
niet te missen ‘worstboom’. De worstboom behoort tot de Kigelia pinnata-familie
en deze familie bestaat uit bomen, struiken en klimplanten.
Al deze planten
dragen worstvormig fruit, soms één meter lang en tien kilo zwaar. De bomen
kunnen meer dan 20 meter hoog worden en ook de bloemen zijn extreem groot.
Regenwouden
In het noordwesten liggen verspreid bij meren en in
rivierdalen tropische regenwouden, overblijfselen van de grote regenwouden in
Angola en Congo. In de Copperbelt is veel bos aangeplant.
Moerasland
In de buurt van het Mweru- en het Bangweulumeer hebben zich uitgebreide
moerassen gevormd, met sterk wisselende waterstanden. Aansluitend op de
moerassen zijn uitgestrekte graslanden te vinden.
dieren
De savannefauna wordt gekenmerkt door grote planteneters als Afrikaaanse olifant
(met name in het nationale park South Luangwa), puntlipneushoorn, steppezebra,
wrattenzwijn, buffel, talrijke antilopen, en roofdieren als leeuw, panter en
gevlekte hyena. De dierenwereld in Zambia lijkt veel op de fauna van
Oost-Afrika, hoewel ook heel veel Zuid-Afrikaanse elementen nog voorkomen.
Giraffen komen alleen in het uiterste westen en in het oosten voor.
In
totaal zijn ongeveer 225 soorten zoogdieren en meer dan 750 vogelsoorten in
Zambia bekend. De vrij schaarse bossen behoren tot verschillende typen en
herbergen een vaak zeer karakteristieke dierenwereld. Enkele Centraal-Afrikaanse
bosvormen met o.a. apen komen in het noordwesten voor.
De belangrijkste nationale parken van Zambia worden gedomineerd door grote
rivieren, en hier komen dan ook grote aantallen krokodillen en nijlpaarden voor.
Ook grote kuddes olifanten en Afrikaanse buffels (de enige authentieke
Afrikaanse rundersoort) zijn hier te vinden. In de bossen en op de grote
grasvlakten grazen grote kuddes zebra’s (Burchell’s en Crawshay’s zebra),
impala’s en bijvoorbeeld puku’s, een antilopensoort die vooral in Zambia nog
voorkomt.
In de ‘bush’, het struikgewas, komen waterbokken (gewone waterbok
en Defassa waterbok) en bosbokken voor, samen met kleine antilopen als duikers
en klipspringers. Antilopensoorten als de roan (grote antilopensoort die niet
veel meer in zuidelijk Afrika voorkomt, maar nog wel vrij veel in Zambia), de
oribi en de suni worden allemaal in hun voortbestaan bedreigd door de afname van
het grasland. De Afrikaanse savanne herbergt 70 verschillende soorten antilopen.
Waar veel grazers leven, zijn ook veel roofdieren aanwezig, zoals leeuwen,
luipaarden, hyena’s en jachtluipaarden (cheetah’s). Wilde honden waren op een
gegeven moment bijna uitgestorven in Zambia, maar worden tegenwoordig weer
steeds meer gezien. Wilde honden komen verder nog maar in vijf landen voor.
Zwarte neushoorns hebben het echter niet gered; door stropersactiviteiten
zijn deze dieren in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw
uitgestorven. Enkele witte neushoorns zijn nog te vinden in het Game Park in de
buurt van de Victoria-watervallen.
In contrast hiermee staan de gigantisch
aantallen lechwe-antilopen. Op de graslanden in buurt van het Bangweulu-meer
komen nog veel zwarte lechwe’s voor, een relatief onbekende ondersoort. In
West-Zambia is nog een endemische soort te vinden, de Kafue-lechwe.
Kasanka
National Park en Bangweulu Wetlands zijn de beste plaatsen om sitatungas te
zien, een antilopensoort die vaak in de buurt van moerassen te vinden is. De
sitatungas voeden zich terwijl ze in het water staan van ongeveer een meter
diep.
Afrika’s grootste antiloop, de elandantiloop heeft geschroefde hoorns
van ca. 65 cm. en de mannetjes hebben een schofthoogte van 150-180 centimeter.
Ze leven vaak in groepjes 6-12 dieren, maar er zijn ook kuddes van enkele
duizenden exemplaren gezien.
In de nationale parken South Luangwa en Lower
Zambezi zijn giraffes te zien, en Zambia heeft weer een eigen soort, de
Thornicroft-giraffe. Dit geldt ook voor het wildebeest, waarvan het
Cookson-wildebeest met name te vinden is in Liuwa Plain, een afgelegen
graslandgebied in West-Zambia.
Dieren die nauwelijks nog buiten de nationale
parken te zien zijn, zijn o.a. de honingdas, de pangolin of geschubde
miereneter, verschillende soorten mangoesten en het aardvarken.
Bijzonder
zijn de grote en kleine galago’s of ‘bushbabies’. Het zijn nachtdieren die
overdag rusten in holle bomen of dicht gebladerte. Ze leven van insecten,
bloemen, stuifmeel, honing, zaden en vruchten. Ze kunnen 14 jaar oud worden. Ze
behoren tot de lori-achtigen. De grote galago leeft vooral in de Oost-Zambiaanse
bossen; de kleine galago komt in het hele land voor.
Een veel voorkomende
apensoort is de groene meerkat. Deze soort leeft in groepen van ca. 20 of meer
exemplaren en is meestal te vinden in de buurt van water.
Ook bavianen komen
veel voor in Zambia. Ze verkiezen vooral bergachtige of bosrijke gebieden.
Bavianen vormen troepen van meer dan 100 dieren met een duidelijke hiërarchie.
Politiek en Economie
Politiek
Volgens de in 1996 gewijzigde grondwet van 1991 is Zambia een presidentiële
republiek binnen het Gemenebest, met aan het hoofd een voor vijf jaar gekozen
president. Sinds de nieuwe grondwet in werking trad heeft Zambia een
meerpartijenstelsel die de president het recht ontneemt om boven de wet te
staan, de noodtoestand uit te roepen en een kabinet samen te stellen uit leden
van buiten het parlement. De president kan slechts één keer herkozen worden en
volgens de grondwet dienen beide ouders van een presidentskandidaat van
Zambiaanse afkomst te zijn.
De Nationale Vergadering (National Assembly),
het parlement, bestaat uit 150 leden, die volgens het districtenstelsel naar
Brits model voor vijf jaar bij algemeen kiesrecht gekozen worden; acht extra
leden worden door de president benoemd. Er is verder een House of Chiefs, waarin
de traditionele stamhoofden zitting hebben.
De belangrijkste politieke
partijen zijn de United National Independence Party van K. Kaunda, die de
laatste omstreden verkiezingen van november 1996 boycotte en tussen 1964 en 1991
de eenheidspartij was, en de huidige regeringspartij, de Movement for
Multi-Party Democracy (MMD). In totaal zijn er ca. 30 politieke partijen actief.
Bestuurlijk is het land ingedeeld in negen provincies, Central Province
(hoofdstad: Kabwe), Copperbelt (Ndola), Eastern Province (Chipata), Luapula
(Mansa), Lusaka, Northern Province (Kasama), North-Western Province (Solwezi),
Southern Province (Livingstone) en Western Province (Mongu).
Zambia is lid
van de Verenigde Naties en een aantal van zijn suborganisaties, van het Britse
Gemenebest van Naties, van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE), de GATT
en geassocieerd lid van de Europese Unie.
Economie
De Zambiaanse economie was altijd sterk afhankelijk van de koperwinning, maar
door de daling van de koperprijs op de wereldmarkt vanaf de jaren zeventig,
bleek dat de Zambiaanse economie zeer kwetsbaar was. De regering heeft
geprobeerd om tot grotere diversificatie te komen, maar dat heeft tot nu toe
weinig succes gehad.
Tussen 1968 en 1991 werd er een economische
politiek doorgevoerd, die ertoe leidde dat de staat in veel sectoren door
deelname aan het bedrijfskapitaal of door het stichten van staatsbedrijven een
leidende functie kreeg.
Midden jaren tachtig kwam Zambia tot een
overeenkomst met het IMF en de Wereldbank, met als voorwaarde dat er ingrijpende
bezuinigd moest worden. In 1987 werd de overeenkomst met het IMF alweer
verbroken, maar in 1990 werden de onderhandelingen met het IMF en de Wereldbank
weer hervat.
Pas in 1991, toen president Kaunda terugtrad, ging Zambia onder
leiding van de nieuwe president en oud-vakbondsleider Chiluba over tot
grootscheepse privatisering van meer dan 200 staatsbedrijven. Zijn beleid werd
geprezen door Wereldbank en IMF, maar stuitte zowel in eigen land als in de
donorlanden op veel kritiek wegens zijn autoritaire optreden en de daarmee
samenhangende inperking van politieke vrijheden. Bovendien vertaalde zich deze
liberalisering en structurele aanpassing van de economie nauwelijks in
economische groei.
Zambia kampt met enorme betalingsbalanstekorten en een
hoge buitenlandse schuld (in 2002 5,9 miljard dollar). Het tekort op de
handelsbalans bedroeg in 2002 233 miljoen dollar.
Het Bruto Nationaal
Produkt stijgt op dit moment met ongeveer 4% per jaar en het inflatiepercentage
ligt in de buurt van de 20%.
Bevolking
Ruim 98% van de Zambianen behoort tot een van de 73 Bantoetalige stammen.
Bedacht moet wel worden dat deze 73 etnische groepen zijn samengesteld in de
Britse tijd, door de Britten zelf. Door de Zambiaanse regering wordt nog steeds
aan dit aantal vastgehouden, voor de Zambianen zelf is deze indeling van niet
zoveel betekenis.
Wat wel klopt is dat al deze stammen tot een van de zeven
taalgroepen behoren, te weten Bemba, Tonga, Nyanja, Lunda, Luvale, Lozi en
Kaounde.
De basis van een Bantoe-stam vormt de ‘clan’, een groep families
die aan elkaar verwant zijn doordat ze dezelfde herkenningsnaam gebruiken. De
‘chief’ van een clan heeft traditioneel nog veel gezag. Hoewel steeds minder
duidelijk, is deze vorm van sociale organisatie vooral nog terug te vinden in de
dorpssamenlevingen. In de steden is de situatie totaal anders, daar stelt het
traditionele economische, sociale en politieke leven niet veel meer voor.
De rest van de bevolking behoort tot de Twa, de Aziaten en de
Europeanen. Het aantal Europeanen is sinds de onafhankelijkheid in 1964 sterk
teruggelopen, en bedraagt op dit moment nog maar enkele tienduizenden. De
Aziaten komen oorspronkelijk vooral uit West-India en arriveerden pas na de
Tweede Wereldoorlog.
Zambia heeft ca. 10 miljoen inwoners en de
bevolkingsdichtheid bedraagt ca. 13 inwoners per km2.
De leeftijdsopbouw is
ongelijk: ongeveer 47% van de bevolking is jonger dan vijftien jaar en er zijn
nauwelijks ouderen. De vergelijking met Nederland is wat dat betreft
veelzeggend.
Het volledige plaatje is als volgt (tussen haakjes Nederland):
0-14 jaar 47,1% (18,3%)
15-64 jaar 50,4% (67,9%)
65+ 2,5% (13,8%)
De natuurlijke bevolkingsaanwas bedroeg in de periode 1975-2000 2,3% per
jaar (2002 1,9%). De zuigelingensterfte bedraagt 89,39 per 1000 levendgeborenen.
Een derde van de bevolking woont in het centrale hoogland, terwijl ook
de grensgebieden met Mozambique en Malawi vrij dicht bevolkt zijn. Ca. 45% van
de bevolking woont in stedelijke gebieden, waarmee Zambia de hoogste
urbanisatiegraad van zwart Afrika heeft. De meeste grote steden zijn ontstaan
langs de ‘line of rail’, de spoorweg die de Britten vanuit het toenmalige
Zuid-Rhodesië tussen 1902 en 1910 naar het noorden aanlegden.
Zambia wordt als een van de armste landen van Afrika ook nog
geteisterd door aids. De verwachting is dat in de komende tien jaar ca. 20% van
alle inwoners zal overlijden aan de gevolgen van aids. Pessimisten beweren dat
op dit moment al een op de drie Zambianen seropositief is.
De
levensverwachting is door de verwoestende werking van aids sterk gedaald en
bedraagt nu nog maar 37,05 jaar voor mannen en 37,66 jaar voor vrouwen. In 1999
telde Zambia al 870.000 HIV-geïnfecteerden en 99.000 aidsdoden.
Cultuur
Zambia heeft ruim negen miljoen inwoners. De Zambiaanse bevolking bestaat voor
98 procent uit Afrikanen en voor 1 procent uit Europeanen.
De meerderheid
van de Afrikanen bestaat uit Bantoevolken. Hierna komen de Bemba (34 procent van
de Afrikaanse bevolking) en de Tonga (16 procent). De Bemba wonen in het noorden
en de Tonga vooral in het zuiden.
Andere belangrijke groepen zijn de Lozi
(in het zuidwesten), Lunda, Luvale en Kaonde (in het noordwesten), de Lunga (in
het noordoosten) en de Chewa en Nguni (in het oosten).
Naast Europeanen
woont er een handjevol Aziaten in Zambia. Zij werken voornamelijk op
contractbasis in de mijnbouw en in de overheidssector. De Europeanen zijn vooral
Britten.
Muziek en dans
Muziek is belangrijk in de Zambiaanse cultuur. De
traditionele muziek heeft een sterk ritme en wordt meestal gespeeld op drums,
fluiten en 'handpiano's' (een klein rechthoekig instrument met ijzeren toetsen
die met de duimen wordt bespeeld).
Bij de muziek wordt ook gedanst.
Handwerk
Handwerk is erg populair in Zambia. In dit land kom je de
prachtigste manden tegen. Deze manden worden gemaakt door zowel vrouwen als
mannen.
Veelgebruikte materialen zijn bamboe, papyrusbladeren en sisal.
Manden maken is seizoenswerk en Zambianen doen het meestal naast hun gewone werk
om wat bij te verdienen.
Lozi en Mbunda
De Lozi en de Mbunda stammen in het westen van het
land houden zich met andere dingen bezig. De mannen werken met hout en
vervaardigen voorwerpen zoals kano's, meubelen, maskers, drums, houten kommetjes
en wandelstokken. De vrouwen van deze stammen maken aardewerken potten.
Zambiaanse architectuur
Architectonische meesterwerken stammen
meestal nog uit de koloniale tijd. Voorbeelden hiervan zijn het North West
Hotel , de St. Andrews Anglican Church en de Coillard Memorial
Church in Livingstone.